Af en toe levert de wetenschap praktisch toepasbare kennis op waar een grote groep mensen iets aan heeft en die je van heel veel sores verlost. Het wel of niet (moeten) eten van spruitjes is zoiets.

Over weinig voedingsmiddelen zijn de meningen zo verdeeld als over spruitjes, waarin ouders en kinderen lijnrecht tegenover elkaar staan. Veldslagen worden gevoerd in verwoede pogingen om minstens één spruitje naar binnen te krijgen, of “ in elk geval zoveel spruitjes als je jaren oud bent…...”. Omdat ouders altijd gelijk hebben, iets kunnen afdwingen en sterker zijn dan kinderen, lijkt dit een ongelijke strijd. Twee kampen staan tegenover elkaar, de ouders en kinderen. Laten we hun argumenten eens bekijken.

 

Volgens je goed geïnformeerde moeder zijn spruitjes gezond. Ze zitten stikvol mineralen en vitamines. Echte gezondheidsbommetjes zijn het! En vergeet de vezels en het tryptofaan niet, waar je het gelukshormoon serotonine uit kunt maken. En moeder heeft ook gelezen dat er glucosinolaten in zitten, dat zijn fytonutriënten, plantaardige voedingsmiddelen, die tegen kanker beschermen.  En ze zijn ook niet meer bitter omdat die nare smaak eruit gekweekt is. Dus…..

 

 

Maar als kind vind je spruitjes vies smaken en stinken en ergens in je hersenen gaat er een alarmsignaal af. Dat is heel normaal. Een vieze geur of smaak wordt razendsnel opgemerkt door een gebied in de hersenen, dat het limbische systeem heet en de zetel is van het emotionele leven.

 

Nog voor dat je je bewust wordt van de onaangename zintuigindruk (en die in je hersenschors is aangekomen), wordt er vanuit dat limbische systeem al actie ondernomen, resulterend in bijvoorbeeld uitspugen, weigeren en ervoor zorgen dat die gewaarwording zich zo in je geheugen inbrandt, dat het geen tweede keer gebeurt.

 

Dus zeg je nee tegen het volgende spruitje. “Hersentechnisch” gezien is dat normaal. Maar je moeder kan niet in jouw limbische systeem kijken, laat staan dat ze met je mee kan voelen. En wat nog belangrijker is: je moeder weet waarschijnlijk ook niets af van jouw beschikbare enzymarsenaal, die je in staat moeten stellen om voedsel af te breken.

 

In spruitjes zitten , net als in andere koolsoorten, zoals boven vermeld, die glycosylaten, die aan de plant een bittere smaak geven. Je krijgt er niks van en op volwassen leeftijd heb je de enzymen die je nodig hebt om dat stofje onschadelijk te maken, zodat je spruitjes kunt eten en er zelfs van kunt genieten.

 

Maar als kind heb je die enzymen nog niet

 

en moet je de vieze smaak verdragen. Het zou prettig zijn als ouders zich zouden realiseren dat de onwil om iets te eten niet altijd een pedagogische, maar soms ook een biologische achtergrond heeft. Zo is het ook een bekend fenomeen dat kinderen in de eerste jaren van hun leven geen groen voedsel willen eten. Dat is het plantaardig materiaal dat we prebiotica zijn gaan noemen.

 

Het zou mij niets verbazen wanneer dat te maken heeft met het feit dat het microbioom, de totaliteit van onze (darm)bacteriën, van de kinderlijke darm pas rond het derde jaar zijn definitieve samenstelling heeft gekregen en dat het kleine kind tot die tijd dus geen raad weet met “groen”, zijnde de vezels, die als voedsel dienen voor onze darmbacteriën.

 

Het is maar een ideetje!

 

En verder moet gezegd worden dat het ontzettend onhandig is om met kinderen strijd aan te gaan rondom eten. Ten eerste verlies je het als ouder uiteindelijk altijd van die oersterke kinderwil en ten tweede bereik je er alleen maar mee dat je kind helemaal niet meer wil eten en er een levenslange aversie tegen gezond voedsel aan over houdt.

 

November 2017, Aart van der Stel, antroposofisch arts en verbonden als docent aan de Kraaybeekerhof Academie

Psst... Wil je deze pagina delen?